RECENTE BERICHTEN
Please reload

ARCHIEF
Please reload

ZOEKEN OP TREFWOORD
Please reload

De panden van De Gruyter

 

Inleiding

Ook al is Rubicon Erfgoed weer terug na een prachtige rondreis door Schotland (waarover later meer), voor veel mensen is het momenteel nog zomervakantie. Dat betekent dat er geflaneerd wordt over de boulevards en geshopt in de winkelstraten. Heeft u daarbij wel eens gelet op alle prachtige gevels die de Nederlandse straten rijk zijn? Sommige panden tonen ons een waaier aan vormen en kleuren, met typische architectonische details of iconische elementen. 

 

Eén zo’n geval viel mij zelf vorige week op, toen ik door de Nijmeegse wijk Hunnerberg wandelde, op weg naar een afspraak in het Gelders Archeologisch Centrum G.M. Kam (overigens zelf een prachtig pand van Oscar Leeuw uit 1919-1922). Het betrof een hoekpand aan het Mariaplein, bij de Berg en Dalseweg, met een specifieke combinatie van blauwgroen geglazuurde tegels en gouden letters: “P. DE GRUYTER & Zn.” De foto die ik van het pand nam ziet u hieronder. Ik besefte me dat de tegels en letters al vaker had gezien, verspreid over Nederland. Toen ik terug was in Breda en naar huis fietste, kwam ik inderdaad langs het witte hoekpand aan de Prinsenkade/Haagdijk, met daarop dezelfde letters. Vandaag heb ik daar in de zon ook een foto van geschoten, die u bovenaan deze pagina kunt vinden.

 

Nu wist ik wel dat De Gruyter iets met levensmiddelen te maken had en een winkelketen van weleer was. Maar de details wist ik niet. Vandaag dan ook een korte bijdrage over de opkomst en teloorgang van een kruidenier wiens nalatenschap het hedendaagse straatbeeld nog steeds verrijkt.

 

 

Opkomst van een ‘grootgrutter’

We beginnen ons verhaal met een etymologisch uitstapje, naar het woord ‘grutten’. U weet wel, van de niet-meer-helemaal-hedendaagse uitroep “grote grutten!” Maar ook van de wat denigrerende term voor een grote kruidenier: de grootgrutter. Ook tegenwoordig hoor je de Albert Heijn nog wel eens zo genoemd worden. Maar wat zijn dat nu eigenlijk, grutten? In deze tijd, waarin de ‘Hollandse’ oergranen weer terrein winnen ten opzichte van de exotischer quinoa en amaranth, worden ze ongetwijfeld weer hip: gebroken en gepelde granen. De bij ons klassieke grutten bestaan uit boekweit, haver, gerst of gort (gepelde gerst). Toen ik vroeger als kind gortepap oftewel karnemelksepap kreeg, at ik – blijkbaar – grutten.

 

Piet de Gruyter was een grutter in de ware zin van het woord – en eigenlijk ook qua naam, als je die vergelijkt. In 1818 begon Piet met zijn paardengrutmolen een bedrijf in Den Bosch, waarvan de klantenkring de eerste twee generaties vooral uit lokale boeren bestond. Echter, dat bleef niet lang het geval. In 1896 werd een winkel in Utrecht geopend, in 1902 eentje in Amsterdam. Elf jaren later – ondertussen met de derde generatie De Grutyer ook aan het werk – waren er vierenveertig winkels in Nederland, vooral in de vier grote steden van de Randstad. Het hoogtepunt? De jaren ’60 van de vorige eeuw: meer dan 550 winkels. Als je bedenkt dat De Gruyter’s grootste concurrent destijds, Albert Heijn (opgericht te Zaandam, in 1887), tegenwoordig bijna 960 winkels heeft, dan kan je je voorstellen dat de groenblauwe tegeltjes en gouden letters in die tijd net zo algemeen waren in het straatbeeld als het blauwwitte AH-logo dat vandaag de dag is.

 

Van de ‘belle epoque’ en technologische vooruitgang: art nouveau en art deco

Hoewel niet elk pand van De Gruyter die bijzondere combinatie van tegeltjes en letters had, zijn dat wel de panden die het best bewaard zijn gebleven in onze steden. De details zijn terug te voeren naar de eerste ‘bedrijfsarchitect’ van De Gruyter, Arnhemmer W.G. Welsing, die van 1906 tot circa 1925 de bedrijfspanden en ook enkele privégebouwen ontwierp voor De Gruyter. Het eerste pand dat hij aldus tekende werd in 1906 gebouwd aan de Roggestraat 43 in Arnhem (zie de navolgende afbeelding). Hij was tevens de ontwerper van de al door mij genoemde panden in Nijmegen (1919) en Breda (1925). Welsing werkte in alle opzichten in een bijzondere overgangsperiode, van de 19e naar de 20e eeuw. Dit wordt ook wel de ‘belle epoque’ genoemd, een gouden eeuw tot aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

 

 

Deze overgang kenmerkt zich in de kunst, waaronder in de architectuur, door twee grote stijlen: art nouveau (ook wel jugendstil genoemd, als zijn de termen niet volledig hetzelfde – maar ach, ook uitingen van art nouveau verschillen van land tot land) en art deco. De Franse woorden laten al zien dat herkomst ligt in de vernieuwende en optimistische wind die door Europa waaide bij het keren van de eeuw. Zowel art nouveau als art deco zijn opvallende kunststijlen, met een positieve kijk op de wereld ten grondslag. De eerste stijl vloeide veelal over in de tweede naarmate de eerste decennia van de 20e eeuw vorderden – het fameuze theater Tuschinski in Amsterdam is een prachtige mengvorm – maar je kan twee aspecten noemen om ze wat uit elkaar te houden: art nouveau is meer organisch en bloemrijk (denk aan de beroemde prenten van Alfons Mucha), terwijl art deco meer mechanische symmetrie in zich herbergt en een geloof in technologische vooruitgang (zoek maar eens op het Niagara Mohawk Building in Syracuse, New York). 

 

 

Beide stijlen zijn te zien in de gebouwen van Welsing voor De Gruyter. Zijn eerste pand in Arnhem is duidelijk meer art nouveau, terwijl de winkel in Breda zakelijker art deco genoemd kan worden (let overigens op de chocolaterie met art nouveau-details direct naast dit pand). Het gebouw in Nijmegen, dat ik persoonlijk het mooiste vind van de drie, zou je als overgangsarchitectuur kunnen benoemen. In 1925 droeg Welsing het stokje over en vanaf 1928 zien we nieuwe gebouwen van De Gruyter opkomen, van de hand van zijn opvolger T.P. Wilschut uit Ridderkerk. Hoewel ik het destijds nooit heb geweten, blijkt het rijksmonumentale hoekpand aan de Steenstilstraat in Groningen waar ik tijdens mijn studietijd vaak langskwam bij het uitgaan ook een voormalige winkel van De Gruyter te zijn – gebouwd naar ontwerp van Wilschut, in 1931 (zie de afbeelding hierboven; kunt u de blauwgroene tegeltjes ontwaren?).

 

Hoewel Wilschut zijn eerste ontwerpen aansloten op die van zijn illustere voorganger, werd zijn werk steeds meer zakelijker en ‘eigen’. Het expressionisme en De Amsterdamse School hadden ondertussen ook hun intrede gedaan in de bouwkunst en dat is te zien in de De Gruyter Fabriek in Den Bosch – vijf bouwdelen die grotendeels naar ontwerp van Wilschut tussen 1934 en 1964 werden opgetrokken. Tegenwoordig is het complex herbestemd tot centrum voor creatief ondernemersschap en doet het zo eer aan wat eens de grootste werkgever van de Brabantse hoofdstad was. De afbeelding hieronder toont het nieuwe elan van De Gruyter Fabriek.

 

 

Teloorgang?

De oplettende lezer vraagt zich op dit moment wellicht af waarom het logo van de Albert Heijn heden ten dage nog wel overal op druk bezochte winkels prijkt, maar dat de blauwgroene tegels en gouden letters van De Gruyter alleen nog te zien zijn op de gevels van o.a. tapasrestuarants en kappers. Het antwoord schuilt in koper, kristallen kroonluchters en fraaie tegeltableaus aan de buitenzijde. Dit waren namelijk enkele andere details die de winkels van De Gruyter neerzetten als een redelijk luxueuze kruidenier, die enkel haar eigen huismerk verkocht. Deze formule, aangevuld met loyaliteitsbeloningen als 10% korting bij inlevering van de kassabonnen en het ‘snoepje van de week’ voor de kinderen, zorgde ervoor dat De Gruyter decennialang een vast adres was voor de winkelende Nederlander. 

 

Echter, De Gruyter miste de omschakeling naar de moderne supermarkt met een weelde aan merken en flexibele verkoopstrategieën volledig. Geconfronteerd met immer oplopende verliezen werd het noodlijdende bedrijf in 1971 overgenomen, In 1976 kwamen de resterende panden in handen van Spar en sloot ook de productie in De Gruyter Fabriek: het tijdperk van de Bossche grootgrutter was ten einde gekomen. De grote concurrent Albert Heijn – met een even roemrucht verleden – maakte de overgang wel succesvol en loopt ondanks concurrentie van bedrijven als Jumbo, Spar, Lidl en Aldi voorop als het gaat om winkels in binnensteden. 

 

Dus waar laat dat het nalatenschap van De Gruyter? Wel, in prachtige blauwgroene tegels en gouden letters natuurlijk. In bijzondere panden opgetrokken in art nouveau, art deco en andere stijlen. Kortom, in zichtbare herinneringen tijdens wandelingen in de zomerzon door uw stad. Teloorgang is ook maar relatief.

 

 

 

Deel op Facebook
Deel op Twitter
Please reload